Wat is stotteren?

Stotteren is een stoornis in de vloeiendheid van het spreken. Dat betekent dat mensen spreken met herhalingen en verlengingen van klanken en lettergrepen. Ook kunnen er gespannen pauzes of blokkades optreden die het ritme van de spraak verstoren. De persoon die stottert heeft dit niet onder controle. De herhalingen, verlengingen en blokkades worden aangeduid met de term ‘kernstotteren’. Dit is het deel van stotteren dat voor andere mensen hoorbaar is. Vaak is er ook een niet hoorbaar deel, we noemen dit secundair stottergedrag.

Het niet hoorbare deel of secundair stottergedrag ontstaat als reactie op het kernstotteren. Mensen die stotteren, stotteren doorgaans liever niet. Zodoende probeert men de herhalingen, verlengingen en blokkades zo kort mogelijk te houden of te vermijden. Door het stotteren kan hij/zij ook negatieve gevoelens en gedachten ontwikkelen. Hij/zij kan bang zijn weer te stotteren. Of hij/zij kan zich schuldig voelen omdat hij zichzelf niet kan helpen of denken dat mensen hem dom vinden. Door herhaalde gedachten en gevoelens kan hij/zij zichzelf gaan zien als iemand die niet goed kan praten. Enkele voorbeelden van secundair gedrag zijn:

  •  Verbergen van de stotters. Bijvoorbeeld door andere woorden te kiezen of niks te zeggen. Dit gebeurt vaak uit angst, frustratie of schaamte.
  • Vechten om het gestotterde woord uit te spreken. Bijvoorbeeld door onnatuurlijk knipperen van de ogen of bewegen van armen, benen of hoofd.

Stotteren kan dus grote gevolgen hebben voor het leven van de persoon die stottert en in de omgang met andere mensen. De mate van stotteren varieert per situatie. Bijvoorbeeld het spreken voor een groep of telefoneren kan het stotteren heftiger maken. Spreken tegen een klein kind of praten als je alleen bent, zijn voorbeelden waarin het spreken vloeiender kan worden. Zingen gaat bijna altijd vloeiend.

Wat is broddelen?

Broddelen is een andere manier van niet-vloeiend spreken die vaak verward wordt met stotteren. Een broddelende spreker is niet in staat om zijn tempo aan te passen aan de syntactische of fonologische complexiteit. Dit resulteert ofwel in een grote hoeveelheid normale niet-vloeiendheden ofwel in fouten in ritme en pauzes ofwel in moeilijk verstaanbaar spreken, waardoor broddelen als specifieke stoornis vaak niet herkend wordt. De broddelende spreker is zich niet bewust van deze symptomen. Bij broddelen is de zelfwaarneming gestoord: hij hoort de symptomen zelf niet. De spreker is zich er pas van bewust als hij ‘wat zeg je’ te horen krijgt. Voor meer informatie over broddelen en broddeltherapie klik hier.

Hoe wordt de diagnose gesteld?

Bij aanmelding zal de logopedist eerst een diagnose stellen. Daarbij wordt gekeken naar de ernst van het stotteren middels één of enkele testen. De logopedist kijkt onder andere hoe vaak de stotters voorkomen en hoe heftig ze zijn. Daarnaast brengt de logopedist in kaart in hoeverre het stotteren de persoon belemmert in het dagelijks leven. De logopedist doet dit door te kijken naar wat de persoon die stottert wel en niet kan. Hoe is de omgeving? Hoe zit het met deelname aan de maatschappij? Welke activiteiten zijn wel en niet te ondernemen? Wat is de kwaliteit van leven? Hiervoor is een vragenlijst beschikbaar.

Welke gevolgen kan stotteren hebben?

Het niet vloeiend spreken en de mogelijke angst, schaamte of frustratie hierover kunnen ertoe leiden dat de persoon die stottert minder eigen keuzes in het leven maakt. Een voorbeeld: Piet stuurt een mail, terwijl bellen eigenlijk handiger is. Hij gaat nu het stotteren uit de weg. In eerste instantie lijkt dit relatief onschuldig gedrag, de mail kan ook z’n werk doen. Maar de angst om te bellen kan groter worden en Piet stuurt vervolgens bijna altijd een mail. Wat als Piet een leuke baan misloopt omdat erover gebeld moest worden?

Een ander voorbeeld is dat er angst is om mensen aan te spreken of dat de stotterende persoon ervoor kiest niks te zeggen in groepen. Zo kan een stotterende tiener op school weinig vrienden hebben of die ene leuke jongen of meisje niet mee uit durven te vragen. Ook kan het leiden tot het pesten van kinderen. Stotteren kan ernstige gevolgen hebben op de kwaliteit van leven van de persoon die stottert. De juiste therapie kan ervoor zorgen dat beperkingen verminderd of weggenomen worden, zodat de persoon die stottert mee kan doen in de maatschappij. Hij kan dan zijn eigen keuzes maken en zich niet laten beperken door zijn stotter.

Wanneer moet er doorverwezen worden?

Als de behandeling van de logopedist niet blijkt te werken kan worden doorverwezen. Verwijzing kan zijn naar een (andere) in stotteren gespecialiseerde logopedist-stottertherapeut of naar een andere zorgverlener bij ernstige sociaal-emotionele problemen.

Doorverwijzen van logopedist naar logopedist-stottertherapeut kan nuttig zijn. Het stotteren is bij veel mensen een ingewikkeld probleem. Er kunnen bijkomende emotionele problemen (pesten valt hier ook onder) zijn. Ook kunnen er problemen met functioneren in het dagelijk leven zijn. Dit vraagt van de therapeut deskundigheid. De richtlijn stotteren geeft duidelijke aanbevelingen wanneer besproken moet worden of de behandeling door een andere logopedist of zorgverlener moet worden voortgezet. Eens in de twee of drie maanden dient de behandeling geëvalueerd te worden. Tijdens deze evaluatie wordt besproken of de opgestelde realistische behandeldoelen voldoende gehaald zijn. Als de persoon die stottert of logopedist denkt dat dit niet zo is, dan moet de logopedist een mogelijke overstap naar een andere behandelaar bespreken met de persoon die stottert. Vaak kan dit een (andere) gespecialiseerde logopedist-stottertherapeut zijn, maar andere behandelaars zijn ook mogelijk. De persoon die stottert kan hier zelf ook altijd naar vragen.

Naast het hoorbare stotteren kunnen problemen zoals angst en vermijdingsgedrag ontstaan. Het kan zijn dat de angst die wordt ervaren niet komt door het stotteren, of dat deze angst zeer ernstig is. Als deze aanwijzingen er zijn, dient overlegd te worden met persoon die stottert en/of ouders. Er moet besproken worden of het raadzaam is de huisarts te vragen voor een mogelijke verwijzing naar psycholoog of psychiater.

Welke nazorg is aan te raden?

Elke aanpak bij stotteren moet oog hebben om met terugval om te gaan en gunstige langetermijneffecten te bevorderen. De logopedist of logopedist-stottertherapeut dient nazorg als onderdeel van de therapie te bespreken en overeen te komen met de persoon die stottert en zijn omgeving. Bij afsluiting van de behandeling van stotteren is er een individueel nazorgplan gedurende 2 jaar.

Het is aan te raden:

  • Contact te zoeken met lotgenoten om de kans op terugval te verminderen. Uw logopedist kan adviseren.
  • Lid van patiëntenvereniging Demosthenes te worden.

Wat is een stottertherapeut?

Stottertherapeuten zijn meestal logopedisten, soms psychologen of orthopedagogen, die zich hebben gespecialiseerd in therapie en/of onderzoek naar stotteren. Zij werken binnen een stottercentrum, eigen praktijk of universitair centrum. Naast hun reguliere opleiding hebben zij een vervolgtraject doorlopen waarin zij zich hebben verdiept in de complexiteit van het stotteren en andere vloeiendheidsproblemen. Stottertherapeuten die lid zijn van de NVST nemen deel aan intervisiebijeenkomsten en zijn verplicht zich te blijven scholen, om zo de ontwikkelingen in het vakgebied bij te houden.

Door hun brede opleiding, ruime inzicht in de problematiek van het stotteren en uitgebreide ervaring, zijn stottertherapeuten in staat om kwalitatief goede en verantwoorde behandelingen te geven. Bovendien bieden stottertherapeuten vaak extra therapiemogelijkheden aan zoals groepsbehandelingen, ouderbijeenkomsten en gezinsbegeleiding.

Wat doet een stottertherapeut?

Stottertherapeuten houden zich bezig met:

  • Het stimuleren van preventie en vroegtijdige interventie bij kinderen die risico lopen te gaan stotteren
  • Het uitvoeren van verantwoord uitgekozen diagnostische werkzaamheden en het geven van therapie. Zij handelen zoveel mogelijk op basis van wetenschappelijke evidentie
  • Het samenwerken met collega logopedisten of andere hulpverleners voor consultatie, supervisie, intervisie en advies
  • Het bijdragen aan en het uitvoeren van wetenschappelijk onderzoek
  • Het geven van voorlichting aan ouders, artsen, leraren, overheidsinstanties, verzekeraars e.a.

Wat is het verschil tussen een logopedist en een stottertherapeut?

Logopedisten zijn opgeleid om een breed scala van klachten rond de mondelinge communicatie te behandelen. Daaronder hoort ook het behandelen van stotteren. De problematiek rond stotteren is echter soms zodanig complex dat extra kennis en vaardigheden nodig zijn om dit goed te kunnen begeleiden. De emotionele en sociale kanten van het stotteren vereisen een goede kennis van bijvoorbeeld psychologische en gedragstherapeutische principes. Het trainen van de vloeiendheid vereist een goede beheersing van de vloeiendheidstechnieken. Een stottertherapeut verwerft tijdens de vervolgopleiding deze kennis en vaardigheden door middel van studie, stages en supervisie. Er zijn overigens ook logopedisten die zich extra hebben geschoold in stotteren, zonder dat zij stottertherapeut zijn. De minder complexe stotterproblematiek kan in principe ook door een logopedist worden begeleid.

Hoe vind ik een stottertherapeut?

Er zijn een aantal manieren om een stottertherapeut bij u in de buurt te vinden:

  • Vraag uw huisarts of hij/zij u kan verwijzen naar een gespecialiseerde stottertherapeut
  • U vindt hier een door de NVST erkende stottertherapeut
  • Vraag uw logopedist om informatie over een stottertherapeut

Hoe vaak komt stotteren voor?

Stotteren komt bij ongeveer 1% van de mensen voor, in Nederland dus 170.000 mensen. Bij kinderen onder de 6 jaar komt het tussen de 5% en 17% voor, bij een groot deel verdwijnt het stotteren ook weer. Hoe langer het stotteren aanwezig is hoe kleiner de kans dat het weer verdwijnt. Meer mannen dan vrouwen stotteren. Op 1 stotterende vrouw zijn er 4 stotterende mannen. Stotteren komt over de hele wereld evenveel voor, in elke taal, land, etniciteit of cultuur.

Wat is de oorzaak van stotteren?

Stotteren heeft meer dan één oorzaak. Meerdere factoren zijn van invloed.

De belangrijkste zijn:

  • Erfelijk. Er zijn duidelijke aanwijzingen dat stotteren voor een deel erfelijk is. Bij ongeveer 80% van de personen die stotteren is het deels aangeboren.
  • Hersenen. Hersenscans laten zien dat de hersenen van mensen die stotteren iets anders functioneren dan van mensen die niet stotteren. Of dit de oorzaak is van stotteren of een gevolg is van stotteren, is nog onduidelijk.
  • Taal. Als een kind begint met stotteren is dit meestal tegelijk met het ontwikkelen van de taal bij dit kind. Kinderen gaan langere zinnen maken en 5 leren in korte tijd veel nieuwe woorden. Ouders zeggen weleens: “hun mond kan het denken en de taal niet bijhouden”. Er zijn kleine verschillen gevonden in taal tussen wel en niet stotterende kinderen. Meertalig opgegroeide kinderen stotteren niet meer dan andere kinderen.
  • Persoonlijkheid. Er is geen oorzaak van stotteren gevonden in persoonlijkheid. Emotionele problemen zijn vaak een reactie op het stotteren, een kind wordt bijvoorbeeld boos door zijn stotters.
  • Omgeving. Een stressvolle gebeurtenis, zoals een verhuizing, kan stotteren uitlokken of in stand houden.
  • Ervaringen. Door de ervaringen die het kind met stotteren heeft kan het stotteren zich verder ontwikkelen. Stel een kind denkt op een woord te gaan stotteren en hij kiest daarom snel een ander woord waarop hij niet stottert. Dan wordt hij beloond door een gevoel van opluchting. Hij zal volgende keer weer proberen een ander woord te kiezen. Dit lijkt een goede oplossing, maar zorgt juist dat het probleem groter wordt.

Hoe is het verloop van stotteren?

Kinderen maken in de leeftijd van 2 tot 5 jaar een periode door waarin de spraak onvloeiend wordt. Deze periode valt samen met de ontwikkeling van de spraak en taal. Deze onvloeiendheden worden ‘normale onvloeiendheden’ genoemd en ze bestaan uit bijvoorbeeld herhalingen van woorden of zinsdelen, stopwoordjes als ‘euh’ en het opnieuw beginnen van een zin halverwege. De meeste kinderen merken de onvloeiendheden zelf niet op. Bij jonge stotterende kinderen komen deze normale onvloeiendheden ook voor. Daarnaast hebben zij een ander soort onvloeiendheden dat meer op stotteren lijkt. Het stotteren begint vaak met de ‘normale onvloeienden’ waarbij het kind de eigen onvloeiendheid niet of nauwelijks opmerkt. Daarna wordt het stotteren vaak herkenbaarder, het secundaire gedrag kan toenemen en er kunnen gevoelens en gedachten over het stotteren ontstaan. De ontwikkeling kan in een aantal stappen gaan of het kan ook in één keer in volle omvang aanwezig zijn.

Als het stotteren langer aanwezig is neemt de kans dat het vanzelf weer verdwijnt af. De kans dat het kind van het stotteren af komt is het grootst tot zijn 7e jaar. Vanaf 8 jaar wordt de kans op herstel steeds kleiner. Het verdwijnen van stotteren bij adolescenten en volwassenen is nog steeds mogelijk, maar is zeldzaam.

Waarom therapie op jonge leeftijd starten?

De resultaten van therapie op jonge leeftijd zijn goed. Daarom is het belangrijk dat er wordt doorverwezen naar een logopedist zodra een kind gaat stotteren. Voor het vroeg herkennen van stotteren wordt de Screenings Lijst Stotteren (SLS) het meest gebruikt en deze kan door iedere ouder ingevuld worden. Het is een vragenlijst met enkele vragen. Op www.stotteren.nl is de lijst gratis in te vullen. De SLS geeft aan of er contact moet worden opgenomen met een logopedist of logopedist-stottertherapeut. Deze zal het stotteren in kaart brengen en gezamenlijk met de ouders een plan van aanpak opstellen. Vaak wordt een periode van aankijken afgesproken. Ouders leren het stotteren van hun kind te beoordelen en op te schrijven. Die gegevens gaan naar de logopedist die er actief bij betrokken blijft. Dit heet monitoren. Het monitoren gebeurt in principe gedurende 1 jaar. De belangrijkste vraag bij monitoren is: gaat het stotteren vanzelf weer weg of moet de behandeling gestart worden?  Zie voor meer informatie de patiëntenversie richtlijn stotteren.

Wat is de richtlijn stotteren?

Sinds 2014 kennen we in Nederland de Richtlijn Stotteren, bij kinderen, adolescenten en volwassenen. Deze evidence-based richtlijnen zijn een middel om de beste zorg te bieden op basis van drie verschillende bronnen: wetenschappelijke bewijsvoering , ervaring van deskundigen uit het vakgebied en de ervaringen van stotterende cliënten zelf . De 25 aanbevelingen die volgen uit de Richtlijn Stotteren geven de logopedist-stottertherapeut de mogelijkheid om weloverwogen beslissingen te nemen ten aanzien van onderzoek en behandeling. Deze Richtlijn is niet rigide. Het blijft mogelijk voor cliënt en therapeut, mits gemotiveerd en gefundeerd, van de Richtlijn af te wijken of wijzigingen aan te brengen. Cliënten kunnen de patiëntenversie van de richtlijn raadplegen en met de therapeut overleg hebben over de gekozen handelwijze.

Hoe vind je een goede logopedist?

  • Huisartsen weten doorgaans welke logopedisten in de buurt zitten. Niet altijd weet de huisarts of de logopedist (veel) ervaring met stotteren heeft.
  • Als je een logopedist belt en het blijkt dat hij weinig ervaring met stotteren heeft, zal hij je vertellen wie je wel moet hebben.
  • Op www.stotteren.nl staat een overzicht van gespecialiseerde logopedisten.
  • Een andere informatiebron is www.demosthenes.nl, de Nederlandse stottervereniging.
  • Op sommige plaatsen in Nederland worden “Stottercafé’s“ georganiseerd. Hier is iedereen die ‘iets met stotteren heeft’ welkom. Daar valt ook informatie en ervaringen in te winnen over therapeuten.

Waar kan ik aanvullende informatie vinden over broddelen bij kinderen?

Voor meer informatie voor ouders en/ of leerkracht over broddelen bij kinderen kunt u hier klikken, dit is een bijlage uit het boek “Broddelen”, een (on)begrepen stoornis, door Yvonne van Zaalen en Coen Winkelman uitgegeven door Coutinho, mei 2014.

Wat zijn kenmerken van broddelen?

De belangrijkste kenmerken van broddelen zijn:

  • een te hoog spreektempo
  • vreemde zinsbouw door herhaling van woorden of zinsdelen
  • fouten in woorden door het weglaten of verplaatsen van klanken: bijvoorbeeld ‘tevisie’’ in plaats van ‘televisie’ of ‘versnelde verkering’ in plaats van ‘verkeerde versnelling
  • afwijkende zinsmelodie
  • pauzemomenten op onjuiste momenten.

Als gevolg hiervan is het spreken slecht te verstaan en reageren luisteraars vaak met: ‘Wat zeg je?’. De spreker merkt wel dat er iets mis is met zijn spreken, maar hij weet niet precies wat.

Bron: Het boek: Broddelen, een (on)begrepen stoornis van Yvonne van Zaalen en Coen Winkelman van uitgeverij Coutinho, 2014.

Wat is de oorzaak van broddelen?

Voor de oorzaak van broddelen zijn er aanwijzingen dat het een probleem is in het centrale zenuwstelsel. Vaak is er sprake van een erfelijke component: 85% van de kinderen die broddelen hebben een familielid met een historie van spraaktaalmoeilijkheden of vloeiendheidsproblemen.

Bron: Het boek: Broddelen, een (on)begrepen stoornis van Yvonne van Zaalen en Coen Winkelman van uitgeverij Coutinho, 2014.

Kan elke logopedist broddelen behandelen?

Er zijn stottertherapeuten en logopedisten, die zich op gebied van vloeiendheidsstoornissen hebben gespecialiseerd. Door navraag bij uw logopedist te doen of er aanvullende scholing gericht op broddelen gedaan is, weet u of de desbetreffende logopedist bereid is effectieve behandeling gericht op broddelen te kunnen bieden.

  • Huisartsen weten doorgaans welke logopedisten in de buurt zitten. Niet altijd weet de huisarts of de logopedist (veel) ervaring met broddelen heeft.
  • Als je een logopedist belt en het blijkt dat hij/zij weinig ervaring met broddelen heeft, zal hij/zij je vertellen wie je wel moet hebben.
  • Klik hier voor een overzicht van gespecialiseerde logopedisten.